Hieronder staan enige
uitspraken waarin managementgedragingen worden beschreven.
Geef met behulp van de volgende schaal aan hoe vaak u zelf
dergelijk gedrag aan de dag legt. 1=Zeer zelden, 4=gemiddeld, 7= zeer
vaak.
| 1. Luister ik vaak naar de
persoonlijke problemen van ondergeschikten. |
|
| 2. Controleer ik nauwgezet
gedetailleerde rapporten |
|
| 3. Beïnvloed ik beslissingen die op
hoger viveau worden genomen |
|
| 4. Los ik problemen op slimme,
creatieve wijze op. |
|
| 5. Baken ik duidelijke
verantwoordelijkheidsterreinen af voor
ondergeschikten. |
|
| 6. Leg ik een totale toewijding voor
het werk aan de dag. |
|
| 7. Bevorder ik consensusvorming in
werkgroepsessies. |
|
| 8. Bewaak in continuïteit in de
dagelijkse activiteiten. |
|
| 9. Vergelijk ik archieven, rapporten
en dergelijke op discrepanties. |
|
| 10. Geef ik blijk van medeleven en
zorgzaamheid in de omgang met ondergeschikten. |
|
| 11. Formuleer ik duidelijke
doelstellingen voor de werkunit. |
|
| 12. Zoek ik naar vernieuwingen en
potentiële verbeteringen. |
|
| 13. Probeer ik een netwerk van
invloedrijke contacten te onderhouden. |
|
| 14. Zorg ik voor minimale
onderbreking van de werkstroom. |
|
| 15. Geef ik blijk van een sterke
motivatie voor mijn rol. |
|
| 16. Stimuleer ik participerende
besluitvorming in werkgroepsessies. |
|